Van tempelslaap tot moderne hypnose
Hypnose wordt vaak gezien als iets moderns of zelfs iets vaags en ongrijpbaars. Toch is dat niet terecht, want het werken met trance is zo oud als de mensheid zelf. Door de geschiedenis heen is hypnose en trance doorlopend gebruikt voor heling, pijnstilling, inzicht en spirituele verdieping.
(Zie voor uitleg over het verschil tussen trance en hypnose de pagina Veelgestelde vragen.)
Hieronder neem ik je mee langs de belangrijkste historische lijnen: Van oude tempelrituelen en sjamanistische praktijken tot moderne, wetenschappelijk gefundeerde toepassingen.
Waar het ooit begon
Het opwekken van trancetoestanden gaat ver terug in de menselijke geschiedenis. Al in de oudheid werden trance en suggestie gebruikt binnen religieuze, spirituele en helende rituelen. De Oude Egyptenaren kenden het fenomeen tempelslaap; ceremonies waarin priesters trance opwekten om zieken geneeskrachtige instructies en inzichten te geven. De Grieken en Romeinen gebruikten varianten van deze slaaptempels. En bij inheemse culturen wereldwijd waren trancetechnieken voor sjamanen, medicijnmannen en genezers een vanzelfsprekend onderdeel van hun werk.
Verkettering
Met de opkomst van het christendom raakten trancepraktijken in diskrediet. Kerkelijke machthebbers bestempelden het opwekken van trance als hekserij of zwarte magie en waarschuwden dat wie zich eraan overgaf onder invloed van de duivel zou komen.
De gevolgen waren ingrijpend: Vervolging, zware straffen en een langdurige culturele afwijzing van veranderde bewustzijnstoestanden. Deze houding hield eeuwenlang stand in de westerse wereld en werkt, bewust en onbewust, door tot op de dag van vandaag. Ook later werd hypnose regelmatig neergezet als misleiding of kwakzalverij, al ontstond er gaandeweg meer nuance en erkenning voor de genezende en versterkende kracht ervan.
Mesmer en de geboorte van moderne hypnose
Het moderne tijdperk van hypnose start bij Franz Anton Mesmer (1734–1815), een Oostenrijkse arts die in Frankrijk werkte. In de achttiende eeuw leefde het idee dat de zon en sterren een magnetische vloeistof uitzonden die het leven op aarde beïnvloedde. Ziekte zou ontstaan wanneer de doorstroming van deze vloeistof werd verstoord.
Mesmer bouwde hierop voort met zijn idee dat deze ‘kosmische vloeistof’ kon worden opgeslagen in magneten en vervolgens op patiënten kon worden overgedragen. Later liet hij de magneten los en gebruikte hij zichzelf als kanaal voor wat hij ‘dierlijk magnetisme’ noemde. Uiteindelijk ontdekte hij dat zelfs lichamelijk contact niet nodig was en dat verbale instructies alleen al zeer sterke effecten konden hebben.
Mesmers behandelingen, bekend als mesmerisme, waren populair en werden vaak als bijna magisch ervaren. Wetenschappers van de Franse Academie van Wetenschappen stelden in 1784 echter dat er geen wetenschappelijke verklaring voor bestond. Hierdoor raakte Mesmer in opspraak, maar zijn leerling Armand de Puységur zette het werk voort en bevestigde dat verbale suggesties op zichzelf al krachtige genezende effecten konden hebben. Daarmee werd de basis gelegd voor wat we nu moderne hypnose noemen: Het gebruik van trance en suggestie om innerlijke processen te beïnvloeden.
Brede medische toepassing bij pijnbestrijding
In de jaren 1830 rapporteerde de Londense arts John Elliotson dat meer dan 1800 operaties pijnloos waren uitgevoerd met technieken vergelijkbaar met mesmerisme. De Schotse chirurg James Esdaile, werkzaam in India, voerde duizenden operaties uit, waaronder amputaties, waarbij hij ‘magnetische slaap’ gebruikte als enige vorm van verdoving.
Rond 1840 onderzocht de Engelse arts James Braid mesmerisme vanuit een wetenschappelijke invalshoek. Hij verwierp het idee van dierlijk magnetisme en concludeerde dat het effect vooral voortkwam uit gerichte aandacht en concentratie. Door fixatie op één aandachtspunt werden mensen zeer ontvankelijk voor suggestie. Braid introduceerde de term hypnose, afgeleid van het Griekse hypnos (slaap), hoewel hij later besefte dat proefpersonen juist helder en alert waren.
Met de introductie van chemische anesthesie rond 1848 nam het medische gebruik van hypnose voor pijnbestrijding af. Tegen het einde van de negentiende eeuw gebruikte Jean-Martin Charcot hypnose binnen zijn kliniek voor zenuwziekten, waardoor hypnose sterk werd gekoppeld aan hysterie en psychopathologie. Sigmund Freud kwam hier in aanraking met hypnose en paste het aanvankelijk toe om onderdrukte herinneringen toegankelijk te maken, voordat hij overstapte op vrije associatie.
Erkenning en brede toepassing in de moderne tijd
De hernieuwde belangstelling in de twintigste eeuw is grotendeels te danken aan Milton Erickson (1901–1980), de grondlegger van de moderne hypnose. Hij werkte met indirecte suggesties, metaforen, verhalen en subtiele communicatievormen die de bewuste geest omzeilen. Zijn werk beïnvloedde onder meer Virginia Satir en Fritz Perls en inspireerde de ontwikkeling van Neuro-Linguïstisch Programmeren (NLP).
Medische erkenning volgde geleidelijk:
De British Medical Association keurde in 1955 het gebruik van hypnose in de geneeskunde goed. En in 1958 verklaarde de American Medical Association hypnose tot een waardevol hulpmiddel, en adviseerde opname ervan in de medische opleidingen.
Een tool om voorbij het bewuste denken te komen
Hypnose ontwikkelde zich van ritueel en mystiek, via controverse en scepsis tot een methode die vandaag de dag serieus wordt genomen en toegepast in uiteenlopende professionele contexten. De kern bleef steeds hetzelfde; de bewuste aandacht focussen en verdiepen tot voorbij het denken.
QM-hypnose staat daarmee in een lange traditie en is tegelijkertijd volledig afgestemd op de mens van nu.